Nederlandse Website
Eindruck
  • Zuid-Zuid-West
  • Zuid-Zuid-West
  • Zuid-Zuid-West
  • Zuid-Zuid-West
  • Zuid-Zuid-West
Umfrage
Haben Sie schon mal 'wild lebende' Seehunde gesehen?
 
Telephoto Webcam

Klik hier en ga naar onze Telelens Webcam

Baldt...

Das Wetter

Newsletter

Abonnieren










Algemene informatie over zeehonden


Diverse soorten zeehonden in Nederland
In Nederland komen twee soorten zeehonden voor. Het meest algemeen is de Gewone zeehond (Phoca vitulina), 70-110 kilo zwaar. Gewone zeehonden liggen bij laag water op droogvallende banken langs dieper water. In juni of juli werpen ze één jong, dat direct zwemt en 4-5 weken gezoogd wordt. Dit jaar waren er ongeveer 4500 gewone zeehonden in de Waddenzee en 150 in de Zeeuwse wateren. Sinds begin jaren tachtig komt ook de Grijze zeehond of kegelrob (Halychoerus grypus) permanent in de Waddenzee voor. Vanaf 1985 worden er ook jongen geboren. Grijze zeehonden hebben voor het werpen van hun jongen (in herfst en winter!) zandbanken of andere hoge plekken nodig die ook bij hoog water niet onder lopen, want de jongen hebben tijdens de eerste 4-5 dagen nog een witte, losse vacht, en ze kunnen dan niet of nauwelijks zwemmen. Grijze zeehonden worden 100-180 (vrouwtjes) of 170-300 (mannetjes) kilo zwaar. In 2004 werden er ruim 1100 in de Waddenzee geteld.
Naast gewone en grijze zeehonden komen af en toe dwaalgasten van elders op onze kust. Dat zijn de noordelijke robbensoorten Zadelrob (Pagophilus groenlandicus), de Klapmuts (Cystophora cristata) en de Ringelrob of Stinkrob (Phoca hispida). Zeer sporadisch worden de Baardrob (Erignathus barbatus) en de Walrus (Odobenus rosmarus) in Nederland waargenomen.

De Zeehond
Iedereen weet wel wat een zeehond is en de meeste mensen zijn dol op zeehonden. Dat is niet zo raar want, zeehonden zien er lief en schattig uit. Vooral de jonkies.
Zeehonden zijn rustige en vreedzame dieren. Ze leven op en rond zandbanken aan de kust. Vaak liggen ze bij eb urenlang op dezelfde plaatsen, die bij vloed weer onderlopen. Ze liggen dicht bij het water zodat ze bij gevaar snel het water in kunnen duiken.
Zeehonden leven vooral in de Zuidpool. Mensen houden het op de Zuidpool niet lang vol. In je blootje zou je dood vriezen. En zelfs met de warmste kleren die je aantrekt is geen pretje. Het is er soms kouder dan zestig graden onder nul. Zeehonden kunnen heel erg goed tegen die kou. Omdat ze een erg dikke vet huid hebben, hebben ze het niet koud. Maar zeehonden leven niet alleen in de Zuidpool ook in andere delen van de wereld, zoals ons land bij de waddenzee en de delta in Zeeland.

Zeehonden kunnen goed zien
Zeehonden kunnen heel goed zien, doordat het voor mensen en dieren moeilijk is om dichtbij te komen. Op volle zee ziet men slechts een enkele keer een zeehond. Het zijn typische kustbewoners. De gewone zeehond komt langs vrijwel alle kusten van de noordelijke Atlantische oceaan, en dus ook in de Noordzee voor. Getijdengebieden en riviermondingen, waar rustige zandplaten droogvallen, hebben daarbij zijn voorkeur.
Een gewone zeehond kan ongeveer 1.60 meter lang worden en 120 kilo wegen. Zeehonden kunnen ongeveer 40 jaar oud worden.
Ze leven daar met eb en vloed. Bij hoogwater gaan ze op jacht naar vis. Tijdens laagwater liggen ze graag te zonnen op een strand. Daar worden ook in de zomer de jongen geboren.

De zeehonden trekken vooral in de winter de zeegaten uit om te jagen. De platvis is dan immers in het koude water op het wad ontvlucht en houdt zich in wat dieper Noordzeewater op. Waarnemingen vanuit schepen laten zien dat de meeste zeehonden te vinden zijn rond de 10-meter dieptelijn. Ongeveer jagen zeehonden tot aan de 20-meter dieptelijn.

Van de 19 soorten die er op de wereld zijn, leven er twee in de waddenzee.
De gewone zeehond en de grijze zeehond. De waddenzee is een bij uitstek geschikt gebied voor de zeehond. Eb en vloed zorgen ervoor dat er genoeg droogvallende zandbanken zijn waar de dieren op kunnen rusten en waar de jongen kunnen zogen. Zijn lichaam is goed aangepast aan zijn leefomgeving. De zeehond is een perfecte duiker, jager en zwemmer.

Bronsperiode
De bronsperiode is bij de zeehonden in augustus. Na een draagtijd van 7 maanden wordt er rond juni tot half juli één jongen geboren. De jongen zeehondjes worden bij laagwater geboren, op drooggevallen zandbanken. De jongen moeten meteen, zodra de vloed opkomt, kunnen zwemmen. Ze hebben daarom geen witte, langharige vacht zoals men die wel ziet bij zeehondensoorten die op de kust of op ijs worden geboren. Maar hebben al een volwassen vacht bij de geboorte. De moeder zeehond kan haar jong herkennen aan de geur. De jongen worden 4 tot 5 weken op drooggevallen zandbanken gezoogd. De zoogtijd duurt één maand. In die tijd groeit een jong van 8 naar 24 kilo. Dat komt voor een belangrijk deel door de enorm voedzame moedermelk, met een vetgehalte van zo'n 45 procent. Rust tijdens het zogen is heel belangrijk. Als de volwassene zeehond namelijk schrikt vlucht ze het water in, als de jong haar niet kan volgen en hierdoor zijn moeder kwijt raakt begint het klaaglijk te huilen. Vandaar de naam ``huilers``. Direct na de zoogtijd kijkt het moeder nauwelijks meer naar het jong om, want dan is de paartijd aangebroken.
De mannetjes zijn geslachtsrijp op een leeftijd van 6 tot 7 jaar. De vrouwtjes zijn geslachtsrijp op een leeftijd van 3 jaar.
De zeehond kent een zogenaamde 'stille zwangerschapsfase'. De bevruchte eicel nestelt zich pas na een maand of drie in de baarmoeder

Gevoelige snorharen
Zeehonden beschikken over zeer gevoelige snorharen. Ze kunnen daarmee onder water ( waar zelfs minder zicht is) zelf vissen opsporen. Ze voelen de stroming en de richting waarmee de vissen zwemmen en kunnen op de manier hun voedsel vangen.
De oren van de zeehond zijn afsluitbaar, waardoor het tijdens het duiken geen water binnen komt. Je kunt ze herkennen als kleine gaatjes aan de zijkant van de kop.

Reukvermogen
Net als de meeste zeezoogdieren, kunnen zeehonden niet ruiken onder water. Op het land hebben ze een geweldig reukvermogen. Tijdens de voortplantingsperiode hebben volwassen mannetjes de gewoonte ( net als honden) om het achterste van de vrouwtjes te besnuffelen, waardoor ze weten of het vrouwtje bereid is om te paren. Geur is ook heel belangrijk voor de herkenning tussen de moeder en jong. Na de geboorte van een kleintje besteedt de moeder veel tijd om de snuit van het jong te besnuffelen. Dit gedrag versterkt de band tussen moeder en jong, en helpt om de eigen pup te herkennen als hij tussen veel andere zeehonden ligt.

Nieuwe vacht
De zeehond verhaart in de zomer. Als de zeehond verhaard is het heel belangrijk dat hij kan zonnen. De UY straling zorgt ervoor dat de zeehond vitamine D kan aanmaken voor zijn huid en dat is onmisbaar voor een goede nieuwe vacht. (De zeehond kan niet zo snel het water in als de vettige haren niet benodigde bescherming tegen het water kunnen bieden). De vacht van een zeehond bestaat uit twee soorten haar: lang donkere haren en korte zilvergrijze haren. Door de vettige haren wordt de huid niet nat en samen met de vetlaag geeft dit de benodigde bescherming tegen kou.

Grote ogen
Vinpotige hebben grote ogen. Hierdoor kan er meer licht in het oog vallen. De lens moet krachtiger zijn en is daarom bolvormig. Het nadeel is hier van dat de dieren boven water bijziend zijn. Sommige soorten kunnen kleuren zien maar het onderzoek heeft aangetoond dat de meeste soorten zeehonden bepaalden kleuren niet kunnen onderscheiden. Een zeehond ziet boven water beter op korte afstand bij normaal licht.

Leeftijd
De leeftijd van de zeehond is af te leiden aan het gebit. De tanden, die een leven lang meegaan, worden elk jaar voorzien van een nieuw laagje gazuur. Als je een doorsnede van een de tand maakt, kan je aan de hand van de jaarringen de leeftijd bepalen (net als bij een boom).

Geluiden
Als de dieren elkaar willen imponeren maken ze onder andere gebruik van geluiden. Dit zijn wat grommende geluiden. Ook moeder en jong gebruiken deze geluiden voor elkaar. In de waddenzee en Zeeuwse DELTA kun je deze gedragingen regelmatig zien. Als je hierop gaat letten zul je de meest vreemde bewegingen herkennen: grommende geluiden versterkt met een opgeheven voorvin die een krabbende beweging in de lucht maakt, klappen achtervinnen tegen elkaar boven het wateroppervlak en slaan op het water.
Zeewater is achthonderd keer dichter dan lucht. Dat betekent dat de weerstand ook zo’n achthonderd keer groter is dan die van de lucht. Dankzij het gestroomlijnde lichaam, zonder uitstekende oren, schouders, lange staart of geslachtsorganen kunnen zeehonden heel goed door het water bewegen zonder veel energie te gebruiken. De stroomlijn wordt vervolmaakt door een dikke laag vetweefsel, waardoor alle lichaamsdelen die uit zouden kunnen steken worden afgedekt. Zeehonden moeten regelmatig ademhalen om koolmonoxide kwijt te raken en zuurstof binnen te halen. Onder water gaat een zeehond heel zuinig met zijn zuurstof om. Alleen hart, hersenen en de meeste organen worden van zuurstof voorzien. De lichaamstemperatuur daalt snel, en de hartslag vermindert zelfs tot slecht een tiende van het normale ritme. Door deze aanpassingen kan een zeehond gemakkelijk 5 tot 6 minuten onder water blijven, en als het nodig is kunnen ze minstens 30 minuten zonder adem.

Topsnelheid
Met een topsnelheid van zo'n 35 kilometer per uur mogen mensen zeehonden tot de goede zwemmers rekenen. De voorste vinpoten dienen daarbij als het roer; het lichaam en de achterste vinpoten zorgen voor de voortstuwing. Een zeehond zwemt net zo makkelijk rechtop als ondersteboven. Het lichaam is volledig aangepast aan de snelheid onder water: het is torpedovormig en oorschelpen zijn afwezig. De neusgaten zijn tijdens het zwemmen steeds gesloten: die gaan alleen open als de zeehond boven water adem haalt.
Met alle aanpassingen voor het leven in zee is de zeehond op het land maar een stuntel: ze kunnen niet lopen omdat de achterste vinpoten in het verlengde van het lichaam staan. (Zeeleeuwachtigen kunnen hun achterste flippers nog wel min of meer gebruiken als achterpoten, die lopen daarom een stuk beter dan zeehonden.) Zeehonden slepen hun lichaam over de grond, met behulp van de voorste flippers. Deze beweging noemen we 'bobberen'.

Slapen
Zeehonden kunnen op het land en in het water slapen. In het water slapen ze rechtop drijvend (als een grote dobber), horizontaal drijvend of op de bodem. Onder water kunnen ze een dutje van een half uur doen, daarna wordt het tijd om weer even adem te halen.
Zeehonden zijn vooral viseters. Om de vissen in het water te kunnen vangen gebruiken ze vooral hun snorharen. Daarmee kunnen zeehonden de kleinste bewegingen van het water opvangen, bijvoorbeeld de waterverplaatsing van een rondzwemmende vis. Ze kunnen dan opmaken waar de vis s en hem vangen. Ze eten de vissoort die het meest voorkomt. Dat kan per seizoen verschillen. De hoeveelheid vis die in de Noordzee door zeehonden wordt gegeten, wordt geschat op ongeveer tien procent van de visserijvangst.
Sommige gewone zeehonden eten in gebieden die meer dan 20 km van hun ligplaats verwijderd zijn, andere zeehonden eten vis die direct in de omgeving te vinden is. Volwassen zeehonden in gevangenschap eten gemiddeld 3 tot 4 kilo makreel of haring per dag. Dieren die magere platvis eten hebben bijna twee keer zoveel in gewicht nodig per dag als dieren die vette haring of makreel eten.
De gewone zeehonden trekken vooral in de winter de zeegaten uit om te jagen. De platvis is dan het koude water ontvlucht en houdt zich in wat dieper Noordzeewater op. De meeste zeehonden zijn te vinden rond de 10-meter dieptelijn. Ongeveer jagen zeehonden tot aan de 20-meter dieptelijn.

Voordelta
In de Zeeuwse en Zuid-Hollandse wateren en in de Voordelta zijn de levensomstandigheden voor de gewone zeehond de laatste jaren veel beter geworden. Van het begin van de vorige eeuw moet de deltapopulatie gelegen hebben tussen de 6.000 en 12.000 zeehonden. Deze schatting wordt gebaseerd op afschotgegevens.
In de jaren 60 van de 20e eeuw namen de zeehonden af tot 300. De zeehonden namen zich af. In 1992 leefden nog maar 18 zeehonden in het gehele deltagebied. De sterke achteruitgang kwam door de zware jachtdruk in de eerste helft van deze eeuw (tot 1961) en later de toenemende verontreiniging van de Zeeuwse en Zuid-Hollandse wateren. Bovendien werden de zeehonden door de toename van recreatie en toerisme, de visserij en de scheepvaart, steeds vaker verstoord. Ook verloren de zeehonden een deel van hun leefgebied door de aanleg van de Deltawerken.
Sinds kort gaat het weer iets beter met de zeehonden in het deltagebied. In het gehele deltagebied komen volgens tellingen uit 2008 ongeveer 200 gewone zeehonden voor. Voor de zeehonden is voldoende voedsel aanwezig in het deltagebied. In de Ooster- en Westerschelde zit minder vis dan in de Waddenzee. In de aangrenzende Voordelta en de Noordzeekustzone zit echter ongeveer evenveel of zelfs meer vis dan in de Waddenzee.

Historie
Deltagebied in 1888 thuis voor duizenden zeehonden (27-12-2003)
Uit gegevens van de visserijsector blijkt dat er in 1888 in de Westerschelde duizend gewone zeehonden aanwezig waren. In het hele Deltagebied kwamen er zes- tot elfduizend voor, de meeste in Oosterschelde en Grevelingen. Felle jacht (pas in 1961 verboden) verminderde de aantallen drastisch. Behalve vervolging waren aan die afname de waterverontreiniging en afnemende visbestanden debet. In 1961 werden in de Delta nog maar 350 zeehonden geteld. Rond 1980 was de soort vrijwel verdwenen uit de Westerschelde. Tussen 1990 en 2002 namen de aantallen weer toe.
Dat kwam mede door het terug in zee uitzetten van in Blankenberghe opgeknapte zieke dieren. In mei 2002 werd in de Westerschelde met vijftig zeehonden de hoogste score geteld. In 2009 zijn er weer ruim meer dan 300 zeehonden in de Zeeuwse Delta te vinden.

Dwaalgasten
Tot op heden zijn nog achttien andere soorten zeezoogdieren gezien in de Westerschelde, die zich er niet voortplanten. Het zijn dwaalgasten of alleen bekend omdat ze er dood aanspoelden. Voorbeelden: gewone vinvis, dwergvinvis, potvis, beloega (witte walvis), spitsnuitdolfijn, tuimelaar, klapmuts en walrus.

Grijze zeehond
Sinds 1980 is de grijze zeehond terug in de Nederlandse wateren. Eeuwenlang werd de soort niet waargenomen in ons land. De eerste jaren waren er maar weinig individuen, maar vanaf 1990 is het aantal sterk toegenomen. Vanaf dat moment werden ook jongen gezien. De toename van de grijze zeehond was eerst in het westelijk Waddengebied zichtbaar, daarna langzaam in het oostelijk Waddengebied en het Deltagebied. In 2008 werden in het Waddengebied bijna 1700 zeehonden gesignaleerd. In de Zeeuwse Delta waren dat er 200. De dieren die nu worden waargenomen, zijn waarschijnlijk afkomstig van de Britse eilanden waar er naar schatting tussen de 100.000 en 300.000 dieren zijn. Het is dan ook de vraag of men van een Nederlandse populatie grijze zeehonden kan spreken of dat deze dieren een deel van de Britse populatie vormen.